Home
Stollingsgesteenten Print E-mail

 

Ontstaan door afkoeling en stolling van magma(heet, gesmolten gesteente in de aarde) aan het aardoppervlak of diep in de aardkorst.

 

Stollingsgesteenten worden onderverdeeld in:

 

  1. Dieptegesteenten
  2. Uitvloeiingsgesteenten
  3. Ganggesteenten

 

1. Dieptegesteenten

 

Als magma stolt in de diepe delen van de aarde (enkele duizenden meters) ontstaan dieptegesteenten, ook wel plutonieten of plutonische gesteenten genoemd. Deze naam is afgeleid van Pluto, de god van de onderwereld in de Griekse mythologie. Doordat het magma heel langzaam afkoelt, kunnen de mineralen goed uitkristalliseren en krijgen ze een korrelgrootte die met het blote oog goed te zien is. Deze stenen hebben verder geen holten en zijn zeer compact.

 

Algemene kenmerken van dieptegesteenten:

  • grote kristallen, te herkennen met het blote oog
  • de mineralen liggen bont door elkaar gemengd
  • geen holten, zeer compact

dieptegesteenten-graniet-gabbro 
Voorbeelden van dieptegesteenten zij o.a.: GABBRO EN GRANIET

 

Dieptegesteenten worden in de volgorde graniet, dioriet, gabbro en periodiet steeds donkerder en zwaarder doordat het kiezelzuurgehalte afneemt en er meer donkere bestanddelen in het gesteente voorkomen. Graniet en Gabbro bestaan vooral uit grote kristallen (ook wel veldspaat genoemnd), die de steen zijn kleur geven, met zwarte biotiet (glimmende deeltjes) en kwartskorrels.

 

Dieptegesteenten zijn altijd ontstaan in de diepe lagen van de aardkorst. Wanneer ze nu aan het oppervlak van de aarde gevonden worden of zelfs in het hooggebergte, dan komt dit doordat ze in de loop der tijd omhoog gedrukt.

 

 

2. Uitvloeiingsgesteenten

 

Als het magma zover doordringt dat het aan het aardoppervlak tevoorschijn komt, dan ontstaan de zogenaamde fijnkorrelige uitvloeiings-gesteenten of vulkanieten, vulkanische gesteenten en eruptiegesteenten.

 

Omdat uitvloeiingsgesteenten ook ontstaan uit magma hebben ze dezelfde chemische samenstelling als dieptegesteenten.  Er zijn echter wel verschillen.

 

Uitvloeiingsgesteenten stollen veel sneller dan dieptegesteenten en daarom zijn de kristallen in het algemeen maar klein. Slechts enkele kristallen kunnen zich goed ontwikkelen en zijn dan scherp begrensd met hun eigen typische kristalvorm. Deze structuur heet porfierisch en is een echt kenmerk van uitvloeiingsgesteenten.


Afhankelijk van het gasgehalte van het opstijgende magma hebben uitvloeiingsgesteenten talrijke kleine holtes. Vaak is er ook een vloeistructuur of streperige kleurverdeling te zien, ontstaan bij het uitvloeiien.

 

Algemene kenmerken van uitvloeiingsgesteenten:

  • slechts bepaalde kristallen met geheel eigen vorm (porfierische structuur)
  • talrijke kleine holten
  • vloeistructuren
  • vaak vorming van zuilen

uitvloeiingsgesteente-lava-basalt-porfier

Voorbeelden van uitvloeiingsgesteenten zijn o.a.: BASALT, LAVA EN PORFIER.

 

Basalt is een fijnkorrelig uitvloeiingsgesteente met kleine ronde blaasholten. De vorming van zuilen is voor basalt zeer karakteristiek. Zuilvorming ontstaat door krimp bij de afkoeling van het magma. Zuilen zijn dus geen kristallen. Basalt is donkergrijs, grijszwart tot donkerblauw, zeer hard en moeilijk te klieven.  In Nederland wordt veel basalt geïmporteerd. We vinden het, vermengd met asfalt, terug in ons wegenstelsel. Daarnaast zijn de basaltzuilen als versterking van onze dijken gebruikt. We kennen het als een donker dicht gesteente met af en toe groene kristallen (van olivijn) er in.


Een andere vorm van basalt is zonnebrander.  Het mineraal analciem dat in deze vorm van basalt voorkomt zorgt voor kleine scheurtjes in het basalt, waardoor het basalt uit elkaar valt in kleine brokjes.

 

Lava is een uitvloeiingsgesteente dat ontstaat als een vulkaan uitbarst. Het zijn de lavastromen die afkoelen aan de oppervlakte. Lava is vaak poreus, door de vorming van gasbelletjes tijdens het afkoelen.

 

3. Ganggesteenten


Met ganggesteente wordt een stollingsgesteente bedoeld dat niet diep onder en niet aan het aardoppervlak is gestold, maar ertussenin. Het is dus eigenlijk een mengeling van dieptegesteenten en uitvloeiingsgesteenten. Daarom krijgen zij daarom altijd een dubbele naam, waarvan 1 gedeelte naar de dieptegesteenten verwijst en het andere naar uitvloeiingsgesteenten.

 

Voorbeelden van ganggesteenten zijn o.a.: BASALTLAVA EN GRANIETPORFIER